Cozy Holocaust
Een dubieus genre in boekenland
‘Oh god, toch niet wéér een boek over de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog door de ogen van een jonge vrouw? Weet je dat zeker?’
Ze nam me mee naar een uitgebreide uitstalling van boeken in de zaak. Zo op het eerste gezicht zat er in bijna elke titel het woord ‘meisje’ of de naam van een vrouw. En Auschwitz. Ik zag romantische plaatjes op voorkanten en vroeg me af of het een genre betrof. Dappere jonge vrouwen die de liefde vinden te midden van barakken vol uitgemergelde joden en neerdalend as van nog minder gefortuneerden. Nou ja, daarover valt natuurlijk te twisten. Ik frommelde mijn lippen tot een hondenaars. Shit, ik was dus iets op het spoor gekomen dat dertien een dozijn was! Nee. Nee, iets had mij gevonden en vond dat ik erover moest schrijven. Je hebt het verdomme helemaal niet voor het zeggen wat jou kiest. Waardoor je bezeten raakt. Ook daar valt over te twisten, ik weet het.
Voor mij werkt het echter doorgaans wél zo en het feit dat ik de op één-na-minst commerciële (lees: armoedzaaierige) schrijver van Nederland ben, is voldoende bewijs. Mijn laatste roman (ook mijn enige) ging over een psychotische jonge vrouw die na een abortus onvruchtbaar is en het niet-geboren kind als een meisje van vlees en bloed bij zich draagt. Dan weet je dus al bij voorbaat dat geen hond (vooruit: anderhalve vrouw) het leest. In een leesclub over het boek maakten mensen zich boos over mijn visie op abortus, vonden ze dat er ‘trigger warning’ op de cover had moeten staan en ergens op internet schreef iemand, als reactie op wat het slechtste boek was dat ze onlangs had gelezen, de titel van mijn roman. ‘Wat een afschuwelijk boek is dat, zeg!’ Nee, marketingtechnisch ben ik niet zo goed geslaagd, maar zoals ik al zei: het onderwerp kiest mij en ik niet het onderwerp, dus ik was mijn handen in onschuld.
En nu bleek het onderwerp van mijn roman-in-wording dus onderdeel te zijn van een soort genre. Zo op het oog eentje die vast en zeker alleen door dames gelezen wordt. Of ik het zeker wist. Ze vroeg het echt. Maar wij weten meer dan zij, wij weten dat ik geen keuze hierin heb, althans, dat hou ik mezelf voor. ‘Je zou ook over de Koude Oorlog kunnen schrijven, zoals Anja Niewarra. Dat is wél origineel. Ik raad je echt aan een ander onderwerp te kiezen. Mensen weten het nu wel met die kampen en veewagons. Het is een beetje voorspelbaar inmiddels.’
Ik ben een koppige oostblokker. Als iemand mij probeert op andere gedachten te brengen, ram ik mijn hakken alleen maar dieper in het zand. Ze kon de pot op. Ik zou schrijven over hoe een meisje uit Praag in het getto van Lodz terechtkwam en daar op de propaganda-afdeling voor de nazi’s moest werken, hoe ze op weer een andere plek als slaaf gasmaskers in elkaar moest zetten en hoe ze daarna thuiskwam in een stad waar bijna geen jood meer leefde, maar desondanks niet erg welkom voor die paar overgebleven joden was, zelfs een paar handenvol ophing een jaar of wat later in showprocessen, omdat de joden blijkbaar nog niet genoeg hadden geleden.
‘Nee, ik moet hierover schrijven,’ zei ik, en voegde eraan toe: ‘De Koude Oorlog krijgt ook een soortement bijrol, trouwens, al is het misschien niet het soort rol dat jij bedoelt.’ Ze keek me met een uitgestreken gezicht aan. Het was duidelijk dat ik haar niet had overtuigd van het belang van dit nog te schrijven boek.
Waar ik wel een beetje mee in mijn maag zat was die meter of twee aan boeken, door vrouwen geschreven, met onverschrokken heldinnen als protagonist, die tussen de luizen en de lijken ruimte vinden voor de liefde en kameraadschap. Toch een beetje een genre: de romantisering van de Sjoa. Eerder de afvlakking van het Kwaad, dacht ik er boos achteraan, want was dan de bedoeling dat ik de perversiteit van dit Kwaad verdoezelde om ‘ het een beetje gezellig’ te houden? Ik bedoel, één blik op de lange lijst en ik zie alle beroepen plus de naam Auschwitz als titel, wat moest ik me daar in godsnaam bij voorstellen?
Je hebt tegenwoordig het genre ‘cozy crime’, waarin het geweld buiten beeld plaatsvindt en er geen gruwelijke details worden gedeeld, alleen in verhullende termen over een misdaad wordt gesproken. Gezellig met een grote mok thee op de bank lezen hoe een amateurspeurder een moord oplost. Was dit nieuwe genre ook zoiets, zeg maar ‘cozy Holocaust’? Waarin vrouwen tegen de klippen op en onder mensonterende omstandigheden (wel buiten beeld graag, lijken in ovens duwen doe je maar in je vrije tijd) doorzetten, elkaars gemillimeterde haren vlechten en nagels doen en na diensten van twaalf uur in de vrieskou binnen dicht tegen elkaar aan kruipen op een houten plank als bed en verhalen vertellend de vlooien op elkaars rug kapot knijpen? The sisterhood of Auschwitz? Is dit wat de mensen willen lezen? Waarschijnlijk wel. ‘Als ik over de gruwelen van de nazi’s wil lezen, pak ik wel een koffietafelboek met plaatjes!’
Daar wil ik niet bij horen. Ik snap dat men niet zit te wachten op een soort Clockwork Orange van de tweedewereldoorlogromans, met veel zinloos geweld, maar ik ga niet zaken wegpoetsen of downplayen om een verhaal te schrijven voor de tere ziel. Ik snap dat het misschien ‘gezelliger’ is om over lichtpuntjes te lezen in een zee van zwart, maar soms is er niks anders dan zwart en dan moet je daar maar even doorheen bijten. Lezen hoeft niet altijd ‘gezellig’ of ‘herkenbaar’ te zijn. En als je het niet wilt lezen dan lees je het niet. Daar ben ik allang gewend aan, de oplagecijfers van mijn laatste roman waren lager dan mijn huidige leeftijd.
Als je wilt schrijven over dit soort onderwerpen is het handig om een gezonde balans tussen emotionele afstand en de diepte in duiken te bewaren. Natuurlijk belandde die balans bij mij meteen al in de prullenbak en zit ik er middenin. ‘s Nachts gaat het festijn door. Regelmatig ben ik in Lodz in mijn dromen. Voel ik enorme angst en paniek, sta ik verplicht naar een publieke ophanging te kijken, ben ik in een soort levensgroot huis van stukken vlees en botten en haren en nagels en huid en bloed en de echo’s van de schreeuwen van mensen die weten dat ze gaan sterven, en probeer ik me hierdoorheen te worstelen op zoek naar de informatie over een jongen die Jiří Zimmerman heette en die in Chelmno werd vergast, om vervolgens de uitgang te halen zonder te struikelen over rottend vlees en knokige heupenbotten. Dan word ik wakker met hartkloppingen en een halve doodsangst in mijn systeem en denk ik: kun je dan ook nooit eens normaal een boek schrijven?
Maar zo gaat het met mij en acteren en zo ging het ook met mij en mijn boek over de psychotische dame: ik val nog net niet samen met het hoofdkarakter, maar het scheelt niet veel. Ik dompel mij onder in de research en kom naar adem happend boven, met de huid van iemand anders als een kletsnat maatpak om mijn naakte lijf. Vandaar dat het nogal beledigend was dat een uitgever dat boek over psychoses afwees omdat het ‘niet realistisch’ genoeg was. Ik moest maar eens de film One Flew Over The Cockoo’s Nest kijken – die was pas realistisch. Mijn boeken gaan nooit meer naar die uitgeverij.
Research is alles, zeker als je historische fictie schrijft en al helemaal als de hoofdpersonages echt hebben bestaan. Los van het feit dat mensen zich genaaid voelen als ‘het boek de werkelijkheid niet volgt’ (natuurlijk kun je een homo-erotische komedie schrijven over hoe Hitler en Eichmann elkaar wekelijks ontmoeten in gaysauna Het Pakhuisje, maar dat terzijde), wil ik, als schrijver, de feiten (de waarheid, ja, fuck dat hele geouwehoer over meerdere kanten en meerdere waarheden) geen geweld aan doen, om het maar eens tenenkrommend niet-grappig te zeggen. Maar blijkbaar is de lezer weliswaar geïnteresseerd in het wel of niet bestaan van hoofdpersonages en of de schrijver jaartallen niet door elkaar haalt, hij (o nee, zij) lijkt veel minder geïnteresseerd in feiten die het verhaal geloofwaardigheid verlenen. Het èchte verhaal, dus. Er zijn meer dan dertien (13!) miljoen exemplaren van een boek met Auschwitz in de titel verkocht (en er kwam een film over dat boek), waarin een van de karakters met tyfus naar de ziekenbarak moest en daar er weer bovenop werd geholpen met penicilline.
Ik heb het boek van me af geworpen, mensen. Eén googlesearch en je weet waarom dit, om meerdere redenen, onmogelijk is. Blijkbaar storen dertien miljoen mensen zich hier niet aan, en ook alle redacteuren en vertalers en regisseurs en weet ik het wie er allemaal meewerken aan de totstandkoming van een film, hebben hier (bewust of onbewust) overheen gelezen, maar ik kan er met mijn pet niet bij.
Mijn probleem is eerder het tegenovergestelde: ik moet op een gegeven moment stoppen met mijn onderwerp onderzoeken en vertrouwen hebben in dat kleddernat maatpak, mijn pen oppakken en gaan schrijven. Dat onderzoeksmoeras is een vloek en een zegen voor een (fictie) schrijver als ik.







Respect voor je dedication!
Oké, ik zou 'toewijding' moeten zeggen, maar vind dedication net wat krachtiger klinken.
Ik vind zo'n fout verschrikkelijk, maar ik heb gemerkt dat velen het gezeur vinden als je daar wat van zegt, soms ook de schrijver zelf.